De lente had flink toegeslagen op het kruispunt bij het Utrechtse Ledig Erf. Drie dronkaards hingen slaperig rond in de tramabri. Scheefgezakt zaten ze uit te rusten van een flinke borrel die vermoedelijk al voor het middaguur was begonnen. Bij een van de mannen zat Kermit de kikker op zijn schouders. Kermit zag er aanmerkelijk monterder uit dan zijn baasje. Met zijn grote poppenogen hield hij alle voorbijgangers goed in de gaten.

Van aanpakken had net het groene stoplicht gemist, dus stond langdurig te wachten voor rood. Twee jongens aan de overkant konden het geduld niet opbrengen en waagden zich tussen de auto’s door. Zonnebril op, jas thuisgelaten, op naar het volgende terrasje. ‘Het weer, het leven, de Efteling’, zei de ene jongen, in zijn paarse streepjestrui, ‘van die dingen…’.

De Efteling. Ineens dacht Van aanpakken aan het jongetje dat eerder dit jaar bij een ander Utrechts kruispunt overleed na een botsing met een bus. Niemand reed toen door rood; maar toch – sindsdien kan Van aanpakken niet meer tegen mensen die door rood gaan. Die paar seconden die het oplevert wegen niet op tegen alles wat je ook in die paar seconden kan verliezen. Zoals de zonsopgang op je gezicht op de eerste lentedag. Lachen om de grappen van Kermit en de oude mopperaars van de Muppetshow. Zo hard mogelijk gillen bij een ritje in de python in de Efteling – je zo levend voelen.

Van die dingen dus. De andere gozer knikte hevig.